Wanneer is dikkedarmkanker erfelijk?
Bij ongeveer 5% bij de patiënten met dikke darmkanker is er sprake van een erfelijke aanleg. Bij erfelijke aanleg heeft iemand door een afwijking aan zijn erfelijkheidsmateriaal (de genen) een sterk verhoogd risico op dikke darmkanker, HNPCC.
Er zijn enkele criteria die op erfelijke dikke darmkanker kunnen wijzen:
| ![]() |
Erfelijke aanleg betekent niet dat iemand zeker dikke darmkanker zal krijgen. Het betekent wel dat iemand een verhoogde kans heeft meegekregen van een van de ouders. Om dit uit te leggen is eerst wat uitleg over erfelijkheid nodig.
Erfelijkheid
Het lichaam is opgebouwd uit miljarden cellen. In elke celkern zit erfelijk materiaal: de 46 chromosomen oftewel de 23 chromosomenparen. Elk chromosomenpaar bij een mens bestaat uit één chromosoom van de moeder en het andere chromosoom erft men van de vader. De chromosomen zijn onder andere opgebouwd uit DNA. DNA bestaat uit een lange dubbele spiraalvormige keten van bouwstenen. Die bouwstenen zijn de genen. Een gen bevat de code voor een bepaalde erfelijke eigenschap en geeft zo een opdracht aan een lichaamscel. Zo zijn er genen die zorgen voor kleur van de ogen of die ervoor zorgen dat de celdeling stopt.
Om verouderde of beschadigde cellen te vervangen, maakt het lichaam voortdurend nieuwe cellen aan. Dit gebeurt door celdeling: uit één cel ontstaan twee nieuwe, die zich ook weer delen enzovoort. Normaal gesproken controleert het lichaam dit proces heel goed dankzij de genen in de DNA-keten. Soms gaat er wat mis tijdens de celdeling of door invloeden van buitenaf. Het lichaam kan de celdeling niet meer zelf corrigeren. Een gen verandert dan en geeft op haar beurt bij celdeling veranderde codes door. Door veranderingen (genmutaties) in het DNA van de genen kan ook een erfelijke ziekte of tumor ontstaan zoals borstkanker. Een tumor of gezwel is dus het resultaat van overmatig celdeling waarbij de genen in de cel andere eigenschappen hebben gekregen. Zo'n tumor kan goed- of kwaadaardig zijn; alleen bij kwaadaardige tumoren is er sprake van kanker. Bij erfelijke borstkanker is er een fout in de eicel of zaadcel waaruit deze persoon is ontstaan. Na de bevruchting vindt er celdeling plaats. Dit betekent dat deze fout in alle lichaamscellen aanwezig is en niet alleen in de tumor.
Als een van de ouders een genafwijking (genmutatie) heeft (geërfd), kan die aanleg aan een kind worden doorgegeven. Iemand kan dus bij de geboorte al aanleg hebben voor een bepaalde ziekte. Deze persoon is dan drager. Krijgt dit kind later ook weer kinderen dan kan het veranderde gen naar een volgende generatie worden doorgegeven. Als men drager is van een erfelijke aanleg voor bijvoorbeeld borstkanker, wil dit niet zeggen dat de ziekte zich ook daadwerkelijk zal ontwikkelen. Aanleg betekent wel dat er een verhoogd risico is om de ziekte te ontwikkelen.

