Wat is Erfelijkheid?
Ons lichaam is opgebouwd uit miljarden cellen. Deze cellen zijn allemaal nakomelingen van die éne bevruchte eicel waarmee het leven van elk mens begint. Zij ontstaan door: celdeling. Eerst is er alleen één bevruchte eicel. Deze deelt zich in tweeën, zodat er: twee cellen zijn. Die delen zich ook weer in tweeën, met als resultaat: dat er vier cellen zijn, enzovoort.
Cellen, zijn een soort ‘fabriekjes’, waarin allerlei stoffen gemaakt moeten worden èn weer anderen moeten worden afgebroken. Zo maken cellen bijvoorbeeld veel soorten eiwitten. Sommige van die eiwitten dienen voor de opbouw van de cel zelf, andere eiwitten spelen een rol in de stofwisseling èn weer andere werken als ‘boodschappers’. Er zijn vele duizenden verschillende eiwitten.
Om nu te weten hoe ze al die verschillende eiwitten moeten maken, gaan de cellen ‘te rade’ bij de erfelijke aanleg. Deze erfelijke aanleg is eigenlijk niet anders dan een grote hoeveelheid recepten, deze recepten vertellen de cellen ‘hoe’ ze iets moeten doen.
Men schat dat er bij de mens 50.000 tot 100.000 verschillende processen rechtstreeks door de erfelijke aanleg worden gestuurd! De recepten hiervoor vinden we in elke cel; (Rode bloedcellen zijn uitgezonderd, die verliezen hun erfelijke aanleg).
Voor de meeste eiwitten die de cel maakt, hebben we twee recepten gekregen: Eén van vader èn één van moeder. Samen bepalen deze recepten wat er precies in de cel gemaakt gaat worden.
De bevruchte eicel heeft de recepten van vader via de zaadcel gekregen en van moeder via de eicel. Om er nu voor te zorgen dat deze recepten na de celdeling in beide dochtercellen terecht kunnen komen, moet er eerst ‘een kopie’ van gemaakt worden. Voorafgaand aan elke celdeling wordt dus steeds alle erfelijke aanleg van de cel verdubbeld.
Pas daarna kan de cel zich delen. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd, dat de erfelijke aanleg die in de bevruchte eicel aanwezig is, in al die miljarden cellen van ons lichaam terecht komt.
De recepten, die we officieel ‘genen’ noemen (enkelvoud: gen) zweven niet zomaar wat rond door de cel, maar bevinden zich merendeels in de celkern, in deeltjes die we chromosomen noemen. Daarnaast bevindt een klein gedeelte van de genen zich in andere onderdelen van de cel, die we mitochondriën noemen.
De chromosomen zijn de ‘verpakking’ van het erfelijkheidsmateriaal. Ze zien eruit als lange dunnen ‘draadjes’. De eerder genoemde 50.000 tot 100.000 recepten bevinden zich in 23 chromosomen, die verschillen in lengte, in vorm èn in kleuringspatroon. Elk recept (gen) heeft daarbij zijn vaste plaats. Omdat men zowel van vader als van moeder deze 23 verschillende chromosomen krijgt, bevatten àl onze cellen 46 chromosomen, waarvan er telkens twee van één soort zijn, zodat er 23 ‘chromosomenparen’ zijn.
Chromosomen van de vrouw
Als je het uiterlijk van de chromosomen van een man en een vrouw met elkaar vergelijkt, blijkt dat zij steeds in één paar van elkaar verschillen. De paren 1 tot en met 22 zijn beiden gelijk. Deze chromosomen worden autosomen genoemd. De chromosomen van het 23ste paar, het paar waarin man en vrouw van elkaar verschillen, worden geslachtschromosomen genoemd. Een vrouw heeft twee gelijke geslachtschromosomen, die we X-chromosomen noemen. De man heeft twee ongelijke geslachtschromosomen: één hetzelfde als dan van de vrouw (X-chromosoom) en één kleiner, het Y-chromosoom. Het Y-chromosoom bepaalt het mannelijk geslacht.
Chromosomen van de man
Jongens (XY) hebben hun X-chromosoom van hun moeder gekregen en hun Y-chromosoom van hun vader. Bij meisjes (XX) is het ene X-chromosoom van moeder afkomstig en het andere van vader. Bij de vorming van de eicellen bij de vrouw komt in de ene helft van de eicellen het ene X-chromosoom (dat zij van haar moeder heeft gekregen) terecht en in de andere helft het andere X-chromosoom (afkomstig van haar vader). Bij de man zit in de ene helft van de zaadcellen het X-chromosoom en in de andere helft het Y-chromosoom. Of een kind een jongen of een meisje wordt, hangt dus af van de zaadcel die bij de bevruchting betrokken is. Bevat deze zaadcel een X-chromosoom, dan wordt het een meisje; bevat deze een Y-chromosoom dan wordt het een jongetje. De kans op een jongetje is dan ook ongeveer even groot als de kans op een meisje.
Professor. Dr. L.P. ten Kate
Uit: ‘Erfelijkheid en ziekten’ een uitgave van De Fontein, Baarn
